088325ef6d7ecb76173c94c1af0c2188.ppt
- Количество слайдов: 35
Moet de arbeidsmarkt wel “moderner”? door Dr Alfred Kleinknecht, hoogleraar economie TU Delft, www. eci. tbm. tudelft. nl (met dank aan Ronald Dekker, Federico Lucidi, Ro Naastepad, Servaas Storm, Robert Vergeer en Haibo Zhou)
Na een “Golden Age of Capitalism” (“Age of Keynes”, 1946 -73) komt ca. 1975 -1985 een keerpunt: • • • Dalende economische groei Fiscale stimulering lijkt niet meer te werken Oliecrisis en “Stagflatie” (= stagnatie + inflatie) “Hollandse Ziekte” → bedrijfssluitingen, massa werkloosheid Stijgende staatschulden Keynesiaanse macro-modellen maken stevige voorspelfouten Dit alles was een voedingsbodem voor een anti-Keynesiaanse contrarevolutie van rechts: Supply-side economics!
Supply-side economics betekent (1): • Grotere inkomensongelijkheid als programma: “Presteren moet weer lonen!” • Versobering van uitkeringen (“ze maken mensen passief!”) • Terugtredende overheid: deregulering, liberalisering, privatisering (Hayek: “Minimal State”!) • Geen fiscale stimulering (jaagt alleen inflatie en staatsschuld op) • Alleen monetair beleid voor inflatiebestrijding • Deregulering financiële markten: meer vrijheid voor financiële trapezekunsten! • Verzwak de vakbonden (een kartelorganisatie!) • Deregulering arbeidsmarkt: soepeler ontslag! • Breek de “insider-outsider” arbeidsmarkten open! • Markten vergissen zich nooit … en de overheid altijd!
Supply-side economics betekent (2): Theorie van de “Evenwichtswerkloosheid” wordt dominant → er moet voldoende werkloosheid zijn om de arbeid te disciplineren, zodat er geen loonprijs-spiraal ontstaat. Werkloosheid is een sturingsinstrument (Nederland hoort minimaal 5% “evenwichtswerklozen” te hebben, minder is gevaarlijk!) Hoge werkloosheid is geen probleem … maar onderdeel van de oplossing: → Meer concurrentie om schaarse banen → Verzwakking van de vakbeweging en van links! → Ruimte voor afbraak verzorgingsstaat; neerwaarts flexibele lonen!
Aandeel looninkomen in Nationaal Inkomen daalt … ten gunste van het kapitaalinkomen Keynesiaanse periode Begin van supply-side politics . Su p Ru ply-s im i his te v de p o o tor isc or w litics h h ins w ten erkt og en ! ive is op au s! (bron: AMECO database)
US: Average income of the bottom 90% and of the top 1%, 1933 -2006 Keynesiaanse periode Supply-side politics Krediet
De micro-economische diagnose van werkloosheid: neerwaarts starre lonen! • De lonen zijn (neerwaarts) star en kunnen zich niet aanpassen aan veranderingen in vraag en aanbod. • Dit komt o. a. door een te genereuze welvaartstaat, een te sterke bescherming van arbeid en te machtige vakbonden!
Een voorbeeld: De arbeidsmarkt voor tegelzetters is in evenwicht Vraag: hoe kan langdurige massawerkloosheid onder tegelzetters ontstaan Lonen tegelzetters Evenwichtsloon Als tegelzetters goedkoper worden, huren bedrijven meer tegelzetters in S = Aanbod van tegelzetters Als de lonen stijgen bieden zich meer mensen als tegelzetter aan D = Vraag naar tegelzetters hoeveelheid tegelzetters Markt "ruimt": Iedere tegelzetter die tegen het evenwichtsloon wil werken kan aangesteld worden; ieder bedrijf die bereid is om het evenwichtsloon te betalen vindt tegelzetters ?
Tegelzetters worden werkloos omdat hun lonen te hoog zijn! De werkloosheid afschaffen? Volg de groene pijlen! Te hoge lonen door agressieve vakbonden S = Aanbod van tegelzetters D = vraag naar tegelzetters Marktruimend loon voor tegelzetters Door hoge lonen vragen bedrijven minder tegelzetters Q Werkloze tegelzetters Door hoge lonen bieden zich meer mensen als tegelzetters aan
De echte boosdoener achter werkloosheid is dus het gebrek aan (neerwaarts) flexibele lonen! Hoe dit te verhelpen? Een neoliberaal programma: • Verlaag de minimumlonen • Verlaag de uitkeringen • Maak meer maatwerk Cao's (op bedrijfsniveau, niet brancheniveau) • Verzwak de macht van vakbonden (ze zijn een kartelorganisatie!) • Versoepel het ontslagrecht om de machtsverhoudingen op de werkvloer te veranderen • Europa moet richting het Angelsaksische model opschuiven (Bolkestein)
'Liberal Market Economies' (LME) versus 'Coordinated Market Economies' (CME) (P. A. Hall & D. Soskice, Varieties of capitalism, Oxford University Press, 2001) LME landen: CME ('Rijnlands'): • • De meeste continentaal Europese landen • Japan VS Canada Australië Ierland VK Nieuw Zeeland
Arbeidsmarkt instituties: LME versus CME LME (Angelsaksisch): CME (Rijnlands): • Makkelijk in dienst; makkelijk ontslag • Kortere baanduren • Bescheiden uitkeringen • Zwakke vakbonden • Arbeidsrelaties meer 'conflictueus' • Loononderhandelingen meer decentraal: inkomensverdeling meer ongelijk • Sterkere ontslagbescherming • Langere baanduren • Genereuze uitkeringen • Sterke vakbonden • Arbeidsrelaties meer 'coöperatief' • Loononderhandelingen meer centraal: meer egalitaire inkomensverdeling Sterke bescherming aandeelhouders Sterke bescherming van arbeid
Kritiek op het neoklassieke model: • In een macro-economisch perspectief zijn lonen ook koopkracht! • De neoliberale praktijk leidt tot wel heel grote inkomensverschillen Kern van mijn betoog: • Het neoklassieke model houdt geen rekening met innovatie en de daaraan verbonden leerprocessen!
Wat is er mis met het Angelsaksische model? Een eerste verkenning: Enkele macro-economische kengetallen voor typisch Angelsaksische versus 'starre' Continentaal-Europese landen 1960 - 2004, 1960 = 100
In flexibele arbeidsmarkten vindt 'automatische' loonmatiging plaats! Figure I-1: Development of real wages: Anglo-Saxon versus Continental-European countries (1960 -2004) 400 Real wage (1960=100) “Rigid Europe” 300 Angelsaksische landen 200 1960 1965 1970 1975 1980 Cont. -European 1985 1990 1995 2000 2004 Anglo-Saxon countries: Australia, Canada, New Zealand, UK and USA; Cont. -European countries: Austria, Belgium, Denmark, Finland, France, Germany, Italy, Netherlands, Portugal, Spain, Sweden; Source: Database of the Groningen Growth and Development Centre (http: //www. ggdc. net/).
Opmerkelijk: ondanks verschillen in reële loongroei is er nauwelijks verschil in welvaartsgroei Figure I-3: Development of real GDP: Anglo-Saxon versus Continental-European countries (1960 -2004) 400 Real GDP (1960=100) “Rigid Europe” 300 Angelsaksische landen 200 1960 1965 1970 1975 1980 Cont. -European 1985 1990 1995 2000 2004 Anglo-Saxon countries: Australia, Canada, New Zealand, UK and USA; Cont. -European countries: Austria, Belgium, Denmark, Finland, France, Germany, Italy, Netherlands, Portugal, Spain, Sweden; Source: Database of the Groningen Growth and Development Centre (http: //www. ggdc. net/).
Echter, de Angelsaksische landen hebben meer arbeidsinzet nodig om te kunnen groeien … Figure I-2: Development of total hours worked: Anglo-Saxon versus Continental-European countries (1960 -2004) 200 Angelsaksische landen Total hours worked (1960=100) 180 160 140 “Rigid Europe” 120 100 1965 1970 1975 1980 Cont. -European 1985 1990 1995 2000 2004 Anglo-Saxon countries: Australia, Canada, New Zealand, UK and USA; Cont. -European countries: Austria, Belgium, Denmark, Finland, France, Germany, Italy, Netherlands, Portugal, Spain, Sweden; Source: Database of the Groningen Growth and Development Centre (http: //www. ggdc. net/).
… dankzij een lagere groei van hun arbeidsproductiviteit (= groei BBP per arbeidsuur) Figure I-4: Development of labour productivity: Anglo-Saxon versus Continental-European countries (1960 -2004) 400 “Rigid Europe” Labour productivity (1960=100) 300 Angelsaksische landen 200 1960 1965 1970 1975 1980 Cont. -European 1985 1990 1995 2000 2004 Anglo-Saxon countries: Australia, Canada, New Zealand, UK and USA; Cont. -European countries: Austria, Belgium, Denmark, Finland, France, Germany, Italy, Netherlands, Portugal, Spain, Sweden; Source: Database of the Groningen Growth and Development Centre (http: //www. ggdc. net/).
… wat o. a. te maken heeft met een geringere groei van hun kapitaalintensiteit (capital/output ratio) “Rigid Europe” Angelsaksische landen
Samenvattend: • De flexibele Angelsaksische arbeidsverhoudingen werken disciplinerend op de factor arbeid → geringere loonkostendruk. • Dit leidt tot een meer arbeidsintensief groeimodel met minder productiviteitswinsten per gewerkt uur. • Niettemin doen de Angelsaksische landen het even goed in de totale BBP groei, want hun arbeidsinzet (in uren) groeit harder … maar is dit wel "goed"?
Vraag: is er inderdaad een causaal verband tussen lonen en productiviteitsgroei? Traditioneel argument: • Groei arbeidsproductiviteit → loongroei (einde verhaal) Mijn argument (te bewijzen): • Er moet ook een causaal verband zijn: loongroei → groei arbeidsproductiviteit Twijfel: • W. J. Jansen: 'Kleinknechthypothese mist empirisch bewijs!', Economisch Statistische Berichten, jg. 89 (sept. 2004), blz. 418.
De terugkoppeling van loongroei naar groei arbeidsproductiviteit Onze econometrische schattingen laten zien: Ø 1% minder loongroei leidt tot 0. 31 -0. 37% verlies aan groei toegevoegde waarde per arbeidsuur (binnen 9 jaar). Controle variabelen: Verdoorn effect; vertraagde groei arbeidsproductiviteit; afstand t. o. v. meest ontwikkelde landen; capaciteitsbezetting; aandeel dienstverlening; landen- en jaar dummies. Data: 19 OECD landen, 19602004. Bron: R. Vergeer & A. Kleinknecht (2010): “The impact of labor market deregulation on productivity: A panel data analysis of 19 OECD countries (1960 -2004)”, Journal of Post-Keynesian Economics, Vol. 33 (No. 2), p. 369 -404.
Redenen voor terugkoppeling: Neoklassieke theorie: • Factorsubstitutie • Jaargangeneffect • 'Geïnduceerde' technologische vooruitgang Evolutionaire theorie: • 'Creatieve destructie' (Rehn-Meitner theorema) • 'Demand-pull' effect (Schmookler & Verdoorn)
Studie onder ca. 400 bedrijven in Nederland, c. q. onder 3. 000 bedrijven in Italië: Meer 'flexibele' bedrijven (veel tijdelijke contracten; veel in- en uitstroom): • betalen gemiddeld lagere lonen. • Verrassend: het voordeel bij de lonen vertaalt zich niet in winst van marktaandeel. Tussen 'flexibele' en 'rigide' bedrijven bestaat geen statistisch significant verschil in afzetgroei. • Waarom? 'Flexibele' bedrijven hebben minder groei van de arbeidsproductiviteit. • Daaruit volgt: 'flexibele' bedrijven scheppen meer banen – maar is dit wel 'goed'? Bronnen: Kleinknecht, A. , R. M. Oostendorp, M. P. Pradhan & C. W. M. Naastepad: 'Flexible labour, firm performance and the Dutch job creation miracle', in: International Review of Applied Economics, Vol. 20 (2006), pp. 171 -187. Lucidi, F. & A. Kleinknecht (2010): "Little Innovation, many jobs. An econometric analysis of the Italian labour productivity crisis", Cambridge Journal of Economics, Vol. 34 (3): 525 -546.
Argumenten waarom flexibele arbeidsverhoudingen schadelijk zijn voor innovatie en productiviteitsgroei : Door flexibel 'hire & fire' verminderen loyaliteit en betrokkenheid. Mogelijke consequenties: • Grotere kans dat bedrijfsgeheimen en technologische vindingen weglekken naar concurrenten (grotere externe effecten leiden tot grotere onderinvestering in kennis) • Er ontstaat meer behoefte aan controle en toezicht. Angelsaksische landen hebben substantieel dikkere management bureaucratieën – frustrerend voor creatieve mensen!
Aandeel van managers beroepsbevolking (19 OECD landen, 1984 -1997) Norway Spain Greece Sweden Italy Switzerland Belgium Ireland Germany Portugal Japan Denmark Finland Austria Netherlands U. K. Australia USA Canada 0 5 10 15 Managers as a percentage of the non-agrarian working population
Argumenten waarom flexibele arbeidsverhoudingen schadelijk zijn voor innovatie en productiviteitsgroei: • Bij kortere baanduur: minder investeringen in scholing door kortere terugverdientijd • Personeel heeft minder prikkels om te investeren in bedrijfsspecifieke kennis (men investeert liever in algemene kennis die de externe 'employability' verhoogt). • Door een groter personeelsverloop verzwakt het 'historische geheugen' van organisaties. De 'lerende organisatie' functioneert minder goed
Argumenten waarom flexibele arbeidsverhoudingen schadelijk zijn voor innovatie en productiviteitsgroei: • Soepel ontslag verandert machtsverhoudingen in bedrijven. Mensen zullen dan niet zo makkelijk (top) management beslissingen bekritiseren. Minder kritische feedback vanuit de werkvloer kan problematische management praktijken bevorderen.
Argumenten waarom flexibele arbeidsverhoudingen schadelijk zijn voor innovatie en productiviteitsgroei: • Mensen op de werkvloer bezitten veel van de (‘tacit’) kennis benodigd voor procesinnovaties. Als zij bedreigd zijn door (soepel) ontslag, zullen zij deze kennis voor zichzelf houden.
Tenslotte, impact van flexibiliteit hangt ook af van het type innovatiemodel: Schumpeter I innovatiemodel: Ø'Entrepreneurs model': nieuwe bedrijven (bijv. ICT, biotechnologie); uitvinder - ondernemer ('Garage bedrijfjes'). (J. A. Schumpeter: Theorie der wirtschaftlichen Entwicklung, Leipzig, 1912) Schumpeter II innovatiemodel: Ø'Routinematig innovatiemodel': Professioneel R&D lab in grote bedrijven. Incrementele innovaties door continue accumulatie van ('tacit') kennis – sterke pad afhankelijkheden. (J. A. Schumpeter: Capitalism, Socialism and Democracy, New York, 1942)
Schumpeter I Model (“garage business”): Schumpeter II Model (“routinized innovation”): Low tech bedrijven; starters in high tech (bijv. IT) Medium-tech en high tech bedrijven met professionele R&D labs Veel MKB/jonge bedrijven Gevestigde oligopolisten Turbulentie (veel nieuwe toetreders; hoge faalkansen) Stabiele hiërarchie van (dominante) innovatoren Eigenschappen kennis: Spontaan mobiliseerbare kennis → lage toetreding barrières Afhankelijkheid van historisch geaccumuleerde en bedrijfsspecifieke (ervarings-) kennis → sterke toetreding barrières! Rekrutering via externe arbeidsmarkt Interne arbeidsmarkten door afhankelijkheid van (bedrijfsspecifieke) ervaringskennis (“tacit knowledge”) → werkgever heeft belang bij goed beschermde “insiders” Bron: S. Breschi, F. Malerba & L. Orsenigo (2000): ‘Technological regimes and Schumpeterian patterns of innovation’, in: Economic Journal, Vol. 110: 288 -410
Impressie uit export/import statistieken: Ø Angelsaksische landen doen het beter in Schumpeter I industrieën (ICT, biotechnologie, entertainment) Ø 'Old Europe' doet het beter in Schumpeter II industrieën (klassieke industrie). Ø Op macroniveau: Angelsaksische landen neigen tot deindustrialisatie door forse importpenetratie
Samenvattend: Walras (statische efficiëntie) versus Schumpeter (dynamische efficiëntie) Wat efficiënt is uit neoklassiek oogpunt (“statische efficiëntie”) … ("hoe kunnen we de gegeven koek efficiënt verdelen? ") … kan contraproductief uitpakken uit evolutionair oogpunt (“dynamische efficiëntie”) ("hoe krijgen we de koek groter door technologische vooruitgang? ")
Samenvattend: Wat blijkt op macro- en microniveau? Flexibele arbeidsrelaties: • Gaan ten koste van de arbeidsproductiviteit • Met name het Schumpeter II innovatiemodel met cumulatief leren functioneert stukken minder • Minder groei van de productiviteit betekent wel: een meer arbeidsintensieve groei • Ironie: de neoliberale flexibiliseringstrategie leidt tot een groeimodel dat enige gelijkenis vertoont met de factor intensieve groei in Oost-Europa van voor 1989! • Een arbeidsintensieve, laagproductieve groei is problematisch tegen de achtergrond van de vergrijzing! • Ondanks de arbeidsintensieve groei is de werkloosheid niet lager! (hoe kan dat? )
Achtergrond informatie bij deze voordracht: www. eci. tbm. tudelft. nl (→ publicaties)
088325ef6d7ecb76173c94c1af0c2188.ppt